Van asbest tot inseminatie: over de doorbreking van absolute verjaring
Van asbest tot inseminatie: over de doorbreking van absolute verjaring
Over zaad, ziekenhuizen en rechtszekerheid.
Aanvankelijk was de vreugde groot. Na een traject van vijf jaar beviel de moeder dan eindelijk van het zo door haar gewenste kind, een drieling zelfs. De gewone weg lukte maar niet, dus had de moeder zich in 1985 gewend tot de gynaecoloog van het lokale ziekenhuis, toentertijd het Sophia ziekenhuis in Zwolle, voor een Kunstmatige Inseminatie behandeling met Eigen zaad (KIE). De ouders merkten echter snel dat de kinderen onverklaarbare “karaktertrekken hadden die de ouders niet herkenden”. Pas in 2020 kwam door toeval - een ander stel liet een DNA-test uitvoeren en herkende de resultaten niet - de waarheid aan het licht: de gynaecoloog had op grote schaal zijn eigen semen gebruikt bij fertiliteitsoperaties. De gynaecoloog, zelf ondertussen overleden, kon niet meer om verantwoording worden gevraagd; het ziekenhuis, zoals eerder aangegeven, bestond niet meer. Toch wendde de moeder zich tot de rechtsopvolger van Sophia, Isala, en sprak zij deze aan vanwege een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst; de kinderen voegden zich op grond van onrechtmatige daad. Isala deed een beroep op de verjaring uit 3:310 BW, een objectieve en absolute termijn van 20 jaar: in beginsel stonden de moeder en kinderen dus met lege handen. Het Hof denkt hier echter anders over.
Over objectieve verjaringstermijnen
Het verjaren van vorderingen wordt primair ingegeven door de rechtszekerheid. Sinds de invoering van het nieuwe BW geldt een objectieve en een subjectieve termijn: de subjectieve termijn gaat lopen zodra het bewustzijn ontstaat bij degene die schade ondervindt, terwijl de objectieve termijn van twintig jaar ingaat op het moment van de schadeveroorzakende gedraging. In dit geval is dat dus in 1988. De objectieve verjaringstermijn heeft een absoluut karakter, dat wil zeggen dat het beginsel van rechtszekerheid en billijkheid jegens de wederpartij met betrekking op deze termijn strikt moet worden gehandhaafd. Zelfs als dit moeilijk te aanvaarden is bekeken vanuit individuele gerechtigheid (vooral omdat de feiten vaak lastig vast te stellen zijn). Opvallend is dat de wetgever zelf deze termijn heeft genuanceerd in 2004, door een lid 5 toe te voegen waar de objectieve termijn buiten werking wordt gesteld voor gevallen met letsel- of overlijdensschade. Deze aanpassing heeft geen terugwerkende kracht. Dit alles hoeft nog niet te betekenen dat de termijn nooit kan worden doorbroken; in Van Hese/De Schelde, een zaak over longschade door asbest, heeft de Hoge Raad aanvaard dat de redelijkheid en billijkheid uit 6:2 BW in uitzonderlijke gevallen een beroep op de termijn onaanvaardbaar kan maken. Hiervoor geeft de HR een groot aantal gezichtspunten op basis waarvan de afweging moet worden gemaakt, o.a. de verwijtbaarheid, verdedigingsmogelijkheden, verzekering, et cetera.
Het hof komt in deze zaak - anders dan de rechtbank, die geen reden ziet om van de termijn af te wijken - tot de conclusie dat een beroep op de verjaringstermijn in deze omstandigheden onaanvaardbaar is. Daarmee plaatst het hof de zaak expliciet in het spoor van het arrest Van Hese/De Schelde, waar de Hoge Raad ruimte ziet nu het gaat om schade die “pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken”. Daarnaast hecht het hof veel waarde aan het voortvarend handelen van de moeder en de kinderen, die binnen een half jaar na de ontdekking een vordering instellen. Een andere belangrijke achterliggende reden voor de objectieve termijn,is de moeilijkheid voor de tegenpartij om zich adequaat te verdedigen en bewijsmateriaal te vergaren. In dit geval is het dossier bewaard gebleven en kunnen door de DNA-test de gevolgen objectief worden vastgesteld. Het hof benadrukt daarnaast de zeer ernstige mate van verwijtbaarheid van het handelen: het heimelijk gebruiken van eigen zaad vormt een flagrante schending van medische, ethische en civielrechtelijke normen. Hoewel de Hoge Raad heeft gewaarschuwd dat verwijtbaarheid op zichzelf niet beslissend is, mag dit aspect bij de belangenafweging wel degelijk gewicht krijgen.
In het licht van deze omstandigheden concludeert het hof dat het belang van rechtszekerheid, hoe zwaarwegend ook, in dit uitzonderlijke geval moet wijken voor het belang van de benadeelden bij toegang tot de rechter. De absolute verjaring mag niet functioneren als bescherming voor degene die door heimelijk handelen juist heeft bewerkstelligd dat tijdig procederen onmogelijk was. Opvallend is wel dat het hof hier zonder dat er - zo lijkt het - nieuwe feiten zijn aangevoerd, tot een volledig andere conclusie kwam dan de rechtbank. Het gewicht dat het hof hangt aan de eigen verklaringen van Isala is anders dan in de uitspraak van de rechtbank. Alleen de tijd kan ons vertellen of deze vrije interpretatie van de gezichtspunten de praktijk zal worden.
Slotbeschouwing
Deze zaak is een markant voorbeeld van de spanning tussen de rechtszekerheid en rechtzoekenden. Het is duidelijk dat het voor de slachtoffers nagenoeg onmogelijk was om op tijd een procedure te beginnen; omdat zij redelijkerwijs niet konden verwachten dat hun vader niet hun vader is.
Het arrest van het hof is een lichtpunt voor de slachtoffers van van fertiliteitsfraude. De absolute termijn van twintig jaar was ruimschoots verstreken met een feitencomplex uit 1988. Toch oordeelde het hof dat een beroep op de verjaring van de absolute termijn onaanvaardbaar is op grond van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Het past de gezichtspuntencatalogus uit het standaardarrest Van Hese/De Schelde toe en weegt de fundamentele inbreuk op de lichamelijke integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van de slachtoffers zwaarder dan de rechtszekerheid van het ziekenhuis.
Het arrest bevestigt dat een ziekenhuis zijn verantwoordelijkheid niet kan ontlopen door te wijzen op het verleden; het ziekenhuis had ook destijds een eigen verantwoordelijkheid voor de organisatie en het toezicht. Daarmee biedt dit vonnis niet alleen juridische erkenning en uitzicht op schadevergoeding voor de gedupeerden van gynaecoloog Wildschut, maar schept het tevens een belangrijk precedent voor andere vergelijkbare zaken waarbij medisch bedrog pas decennia later via DNA-techniek aan het licht komt.
-
r.o. 3.46, ECLI:NL:GHARL:2026:127
-
Tekst en Commentaar 3:310 BW & annotatie op uitspraak rechtbank https://pure.eur.nl/ws/portalfiles/portal/156659668/p1-833266.pdf
-
uit Schelde arrest

