Hoofdsponsor

De (ongelijke) machtsbalans in de advocatuur: 'Big Law vs. sociale advocatuur'

Een rechtszaak begint, zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM, plaats met inachtneming van het recht op een eerlijk proces.(1) Beide partijen krijgen de gelegenheid om hun argumenten naar voren te brengen, bewijs aan te leveren en zich door een advocaat te laten vertegenwoordigen. Maar hoe gelijk zijn partijen in de praktijk wanneer de ene partij beschikt over een vrijwel onbeperkt juridisch budget, terwijl de andere partij iedere proceshandeling moet afwegen tegen de kosten? 

Een groot bedrijf of een vermogende particulier kan advocaten inschakelen die gespecialiseerd zijn in het desbetreffende rechtsgebied waarin het geschil speelt. Voor een burger met beperkte financiële middelen ligt dat anders. Deze kan onder voorwaarden in aanmerking komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand. Hiervoor betaalt de burger een eigen bijdrage die afhankelijk is van zijn inkomen en vermogen. De Raad voor Rechtsbijstand bepaalt vervolgens de vergoeding voor de kosten van de rechtsbijstand.(2) Toch blijft er een verschil bestaan tussen deze partijen. Vermogende partijen kunnen immers zelf bepalen hoeveel juridische expertise zij inschakelen, terwijl een burger met beperkte middelen afhankelijk is van de mogelijkheden en beperkingen van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Zo kan financiële draagkracht, direct of indirect, uitgroeien tot procesmacht.

Equality of arms 

Het beginsel van equality of arms vormt een belangrijk onderdeel van het recht op een eerlijk proces. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) heeft dit beginsel onder meer uitgewerkt in het arrest Dombo Beheer B.V. t. Nederland. Volgens het Hof moet iedere partij een redelijke mogelijkheid hebben om haar zaak naar voren te brengen, zonder daarbij in een wezenlijk nadeligere positie te verkeren dan de wederpartij.(3)

Het beginsel betekent overigens niet dat partijen in alle juridische opzichten gelijk moeten zijn. Verschillen tussen procespartijen zijn onvermijdelijk en artikel 6 EVRM verplicht staten niet om iedere vorm van ongelijkheid weg te nemen. Het gaat erom dat deze verschillen niet leiden tot een situatie waarin één partij binnen de procedure wezenlijk wordt benadeeld. Dit kwam duidelijk naar voren in het arrest Steel and Morris t. Verenigd Koninkrijk.(4) In deze zaak oordeelde het EHRM dat de verzoekers, mede vanwege de complexiteit van de procedure en de grote ongelijkheid in financiële middelen en juridische bijstand, niet in staat waren hun zaak effectief te voeren. Het arrest sluit aan bij het uitgangspunt dat het EHRM eerder formuleerde in Airey t. Ierland. Daarin benadrukt het EHRM dat toegang tot de rechter niet alleen theoretisch of formeel moet zijn, maar ook praktisch en effectief.(5) Dit uitgangspunt is van belang, omdat een recht op toegang tot de rechter weinig betekenis heeft wanneer een gebrek aan middelen iemand feitelijk verhindert om dit recht daadwerkelijk uit te oefenen.

De vraag is daarom wat er gebeurt wanneer ongelijkheid niet direct voortkomt uit de procesregels zelf, maar uit de financiële middelen waarover partijen beschikken. Financiële ongelijkheid betekent niet automatisch dat sprake is van een schending van equality of arms. Zij kan echter wel gevolgen hebben voor de mate waarin partijen hun procesrechten niet alleen in theorie, maar ook daadwerkelijk en effectief kunnen uitoefenen. Juist dit vormt, zoals uit Airey t. Ierland naar voren kwam, de kern van een reëel recht op toegang tot de rechter. Een partij met ruime financiële middelen kan meer juridische expertise inzetten, meer proceshandelingen verrichten en langer doorprocederen. Voor een partij met beperkte financiële middelen kan iedere extra proceshandeling daarentegen een nieuwe financiële afweging betekenen. Daardoor kan een verschil in financiële draagkracht uitgroeien tot een verschil in procesmacht. 

Procederen als uitputtingsmiddel 

Een belangrijk begrip hierbij is de litigation of attrition: een vorm van procederen waarbij de duur, complexiteit en de kosten van een procedure de wederpartij steeds verder onder druk kunnen zetten.(6) Een partij met ruime financiële middelen kan het zich veroorloven om een procedure langdurig voort te zetten, aanvullende proceshandelingen te verrichten en daarbij juridische experts en deskundigen in te schakelen. Voor de wederpartij kan dit een aanzienlijke belasting vormen.

Dat betekent niet dat iedere langdurige of complexe procedure automatisch leidt tot misbruik van procesrecht. Partijen mogen hun procesrechten gebruiken en soms is een zaak nu eenmaal complex. Ook het Nederlandse procesrecht biedt partijen de ruimte om hun standpunt stevig te verdedigen. Aan die ruimte zijn echter wel grenzen verbonden. Op grond van artikel 20 Rv dient de rechter te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure.(7) Daarnaast kan het voeren van een procedure onder omstandigheden misbruik van procesrecht opleveren, een toepassing van de algemene norm uit artikel 3:13 BW op processuele bevoegdheden.(8) 

De Hoge Raad is echter terughoudend met het aannemen van misbruik van procesrecht. Dat houdt verband met het fundamentele recht op toegang tot de rechter. In beginsel moet een partij een geschil aan de rechter kunnen voorleggen, ook wanneer haar standpunt uiteindelijk niet wordt gevolgd. Pas wanneer een partij procedeert op basis van feiten waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen, of op juridische stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat die geen kans van slagen hadden, kan sprake zijn van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen.(9) De juridische drempel voor het aannemen van misbruik ligt daarmee hoog.

Juist daarin ligt de spanning. Een financieel sterke partij beschikt over meer ruimte om binnen de grenzen van het procesrecht aanvullende proceshandelingen te verrichten en de procedure voort te zetten. Voor haar kan een extra proceshandeling slechts een onderdeel van de processtrategie zijn. Voor een minder draagkrachtige partij kan dezelfde proceshandeling daarentegen betekenen dat opnieuw kosten moeten worden gemaakt, de onzekerheid langer voortduurt en de vraag rijst of verdere procesvoering nog financieel haalbaar is. Ook buiten de juridische kosten brengt procederen verborgen lasten met zich mee. Langdurige procedures kosten niet alleen geld, maar vragen ook tijd, energie en uithoudingsvermogen. Voor een partij met beperkte middelen kan die druk ertoe leiden dat zij eerder geneigd is een schikking te treffen of zelfs afziet van verdere processtappen, ook wanneer zij juridisch gezien een verdedigbaar standpunt heeft.(10) Daarmee verschuift het conflict van de inhoud naar de vraag wie het zich kan veroorloven om de procedure het langst vol te houden.

Van formele gelijkheid naar echte toegang tot recht

De tegenstelling tussen Big Law en de sociale advocatuur laat zien dat procesgelijkheid meer omvat dan het hebben van dezelfde rechten op papier. Natuurlijk hoeft niet ieder verschil in financiële middelen te leiden tot een schending van artikel 6 EVRM. Toch kan een aanzienlijk verschil in budget wel bepalen hoe effectief een partij haar rechten kan gebruiken. Wie over meer financiële middelen beschikt, kan langer procederen, meer juridische expertise inschakelen en meer druk uitoefenen op de wederpartij. Voor burgers met beperkte financiële middelen kan procederen daardoor al snel voelen als een risico dat zij zich eigenlijk niet kunnen veroorloven.

Daarom blijft een goed functionerende sociale advocatuur van groot belang. Zij biedt tegenwicht aan de procesmacht van financieel sterkere partijen en draagt bij aan de toegankelijkheid van het recht voor mensen die zich zonder gesubsidieerde rechtsbijstand mogelijk geen adequate juridische bijstand kunnen veroorloven. De kern is dan ook niet dat iedere partij over dezelfde financiële middelen moet beschikken, maar dat financiële ongelijkheid niet mag bepalen in hoeverre een partij daadwerkelijk toegang heeft tot de rechter. Alleen dan blijft equality of arms meer dan een mooi beginsel op papier.

 

(1) Artikel 6 EVRM
(2) Rijksoverheid, ‘Hoe verloopt het aanvragen van gesubsidieerde rechtsbijstand?’, Rijksoverheid.nl.
(3) EHRM 27 oktober 1993, nr. 14448/88, Dombo Beheer B.V. t. Nederland, par. 33.
(4) EHRM 15 februari 2005, nr. 68416/01, Steel and Morris t. Verenigd Koninkrijk, par. 69 & 72.
(5) EHRM 9 oktober 1979, nr. 6289/73, Airey t. Ierland, par. 24 en 26.
(6) Jerome Doraisamy, ‘Litigation can become a weapon of attrition, study shows’, Lawyers Weekly, 24 augustus 2026.
(7) Art. 20 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
(8) Art. 3:13 Burgerlijk Wetboek.
(9) HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, r.o. 5.1. en HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, r.o. 5.3.3-5.3.5.
(10) Lawyers Weekly, ‘The hidden toll of litigation’, Lawyers Weekly.



 

Verenigingenweb
Cancel