Hoofdsponsor

Expert aan het woord - Tussen Vrijheid en Vernieling: het demonstratierecht op de Dam

Het laatste artikel van het jaar met speciale gasten: Berend Roorda en Noor Swart. 

‘Genocide’ stond met grote letters beklad in het rood op ons oorlogsmonument op de Dam. Dit gebeurde de nacht voor onze nationale dodenherdenking op 4 mei. (1) De vrijheid om te demonstreren vormt een essentieel onderdeel van de democratische rechtsstaat. Het recht om publieke onvrede te uiten, ook wanneer die boodschap confronterend of impopulair is, wordt beschermd door nationale en internationale grondrechten. Toch roept de recente bekladding van het monument op de Dam tijdens de Dodenherdenking de vraag op waar de grenzen van dat recht liggen. Juist op 4 mei een dag die in Nederland in het teken staat van collectieve herinnering, respect en nationale bezinning, krijgt protest een bijzondere lading. Waar demonstranten zich beroepen op hun vrijheid van meningsuiting en demonstratievrijheid, ervaren anderen dergelijke acties als respectloos of als een aantasting van een nationaal symbool. We vonden ons op 4 mei op spanning met onze juridische vrijheid en onze maatschappelijke moraal.

Vrijheid van expressie of strafbaar feit? 

De gebeurtenis roept vragen op wanneer we denken aan de legitieme vormen van demonstratie in de zin van het demonstratierecht en de grens naar strafbaar gedrag. Hiervoor vragen wij naar de mening van universitair hoofddocent demonstratierecht Berend Roorda en collega Noor Swart. 

Volgens Roorda moet er juridisch een onderscheid worden gemaakt tussen het demonstratierecht en de vrijheid van meningsuiting. In dit geval was er geen sprake van een demonstrerende groep die zich op de Dam verzamelde. Daardoor valt de actie volgens hem niet direct onder het demonstratierecht zoals beschermd in artikel 9 van de Grondwet en artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Wel kan de bekladding worden gezien als een expressieve handeling die valt onder de vrijheid van meningsuiting, beschermd door artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 EVRM. 

Roorda en Swart verwijzen daarbij naar de zaak Murat Vural t. Turkije uit 2014.(2) In die zaak gooide een Turkse activist verf over standbeelden van Mustafa Kemal Atatürk, de stichter van de Turkse republiek. Hoewel de actie strafbaar werd geacht, oordeelde het EHRM dat de bekladding wel degelijk een politieke uiting was die onder de vrijheid van meningsuiting viel. Het arrest laat zien dat een handeling tegelijkertijd strafbaar én beschermd kan zijn. Dat klinkt tegenstrijdig, maar juridisch is het een belangrijk onderscheid. Een actie kan bijvoorbeeld worden aangemerkt als vernieling of zaakbeschadiging, terwijl de achterliggende boodschap nog steeds valt onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting. In zulke gevallen moet de overheid aantonen dat een beperking van die vrijheid noodzakelijk is in een democratische samenleving.

Om de grens naar strafbaar gedrag dus aan te kunnen duiden geven Roorda en Swart het volgende aan: “Tot slot: dat een uiting een strafbaar feit oplevert, betekent niet dat het niet tevens een uiting kan zijn die valt onder de reikwijdte van het recht op vrijheid van meningsuiting. Met andere woorden: een uiting kan zowel strafbaar zijn als vallen onder de reikwijdte van de Grondwet en internationale mensenrechtenverdragen. In dat laatste geval moet wel worden beoordeeld of de beperking (strafrechtelijke vervolging/veroordeling) in overeenstemming is met de eisen die artikel 10 lid 2 EVRM stelt aan een beperking van de vrijheid van meningsuiting.”

De wijze waarop een monument wordt beklad speelt ook een rol. Een substantie die wordt gebruikt voor een dergelijke situatie (in dit geval de bekladding op de dam) is een van de omstandigheden van het geval die meegewogen moet worden bij beoordeling of de vrijheid van meningsuiting noodzakelijk is in een democratische samenleving. Tegelijkertijd sluit het gebruiken van een minder ‘vernielende’ stof niet uit dat het toch nog om een strafbare gebeurtenis kan gaan. De Hoge Raad bevestigde in 2023 nog dat een tijdelijke verstoring ook nog strafbaar kan zijn. (3)

Het aanwezig zijn van het EVRM artikel betekent in deze situaties dat aan ingrijpen door de overheid altijd de eis zal worden gesteld dat het noodzakelijk is in een democratische samenleving. “Daarbij is van belang dat het ingrijpen geen chilling effect heeft op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en betoging.”

De Dam als nationaal symbool 

Hoewel de emoties in de samenleving hoog oplopen omdat het monument vlak voor de Dodenherdenking werd beklad, weegt die emotionele of symbolische waarde juridisch gezien niet automatisch zwaarder dan de vrijheid van meningsuiting. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat de autoriteiten weliswaar oog hebben voor de iconische betekenis van een nationaal monument, maar dat dit de verdragsrechtelijke eisen voor de bescherming van grondrechten niet zomaar opheft. (4)

In een democratische samenleving moet immers uitdrukkelijk ruimte worden geboden aan meningen en uitingen die choqueren, verontrusten of kwetsen. Het EHRM overwoog in de eerder genoemde Turkse zaak dat pluralisme, tolerantie en ruimdenkendheid de fundamentele eisen zijn van een democratische samenleving. (5) De absolute grens van wat toelaatbaar is binnen de uitoefening van deze vrijheidsrechten ligt in beginsel pas bij het gebruik van geweld. Hoewel geweld tegen personen en ernstig geweld tegen goederen direct buiten de reikwijdte van de bescherming vallen, neemt het Hof niet snel aan dat een protestactie als ‘niet-vreedzaam’ moet worden gekwalificeerd. Hoe schokkend de maatschappelijke context op 4 mei dus ook was, een geweldloze uiting zoals deze bekladding valt in de basis nog altijd onder de reikwijdte van het recht.

Handhaving onder druk, waar ligt aansprakelijkheid? 

De politieke nasleep van de actie op de Dam liet niet lang op zich wachten; verschillende politici, waaronder de minister van Justitie en Veiligheid David van Weel, riepen direct om zware straffen. Roorda en Swart benadrukken dat politici zich terdege bewust moeten zijn van hun uitlatingen wanneer het gaat om de uitoefening van vrijheidsrechten, aangezien dit de maatschappelijke beeldvorming sterk beïnvloedt. De verdragsrechtelijke eis dat elke beperking noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving, verplicht de overheid en de politie tot een zekere mate van terughoudendheid bij strafrechtelijk optreden tegen demonstranten of activisten

Toch betekent dit niet dat de politie bij een bekladding lijdzaam hoeft toe te kijken. Omdat het opzettelijk besmeuren van een monument de dagelijkse gang van zaken en de rechtmatige activiteiten van anderen verstoort, is er al snel sprake van een zogenoemde reprehensible act (laakbaar gedrag). het EVRM staat er in zo’n geval niet aan in de weg dat de politie strafrechtelijk ingrijpt en overgaat tot aanhouding, mits dit gebeurt binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. 

Naast het strafrecht is er een groeiende discussie over het civielrechtelijk verhalen van de schoonmaakkosten op actievoerders. De vrijheid van meningsuiting en de demonstratievrijheid vormen immers geen vrijbrief voor het plegen van strafbare feiten of het beschadigen van andermans goederen. Art. 9 lid 1 van de Grondwet erkent het recht tot betoging expliciet ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’. Het verhalen van schade kan weliswaar een drempel opwerpen, maar voor zover dit chilling effect er specifiek toe dient om demonstranten ervan te weerhouden strafbare handelingen te verrichten, is daar volgens de experts weinig op tegen. Speciale en generale preventie zijn legitieme doelen van de wet, mits de civiele rechter de grondrechten van de activisten te allen tijde zorgvuldig meeweegt in de proportionaliteitstoets. 

 

De toekomst van het demonstratierecht

De bekladding van het monument op de Dam staat niet op zichzelf. Het past in een bredere dynamiek van hedendaagse protesten, variërend van het besmeuren van kostbare kunstwerken tot het blokkeren van snelwegen. In al deze gevallen overschrijden demonstranten bewust de grenzen van de wet om maximale aandacht te genereren voor hun boodschap. Hoewel de Nederlandse strafrechter zich tot nu toe tamelijk terughoudend opstelt bij de beoordeling van dergelijke protestacties, waarschuwen Roorda en Swart voor te veel mildheid. Als de rechter laakbaar gedrag te gemakkelijk als niet-strafbaar kwalificeert, kan er een gevaarlijke precedentwerking optreden waarbij de indruk ontstaat dat grondrechten een vrijpas bieden voor wetsovertredingen.

Moeten we de definitie van wat een 'vreedzame demonstratie' is dan herzien, nu burgerlijke ongehoorzaamheid gepaard gaat met materiële schade? De experts menen nadrukkelijk van niet. Het uitsluiten van dit soort acties van het grondrechtelijke beschermingsschild gaat hen te ver. Het enkele gegeven dat er (lichte) materiële schade ontstaat, maakt een protestactie niet gewelddadig. De oplossing moet volgens Roorda en Swart niet worden gezocht in het verkleinen van het bereik van het grondrecht, maar in de bestaande beperkingssystematiek. Tegen burgerlijke ongehoorzaamheid kan de overheid immers prima optreden via het straf-, openbare-orde- of civielrecht. Burgerlijke ongehoorzaamheid levert immers geen juridische rechtvaardigingsgrond op. De toekomst van het demonstratierecht en de vrijheid van meningsuiting ligt dan ook in het behoud van de brede bescherming, gecombineerd met een zorgvuldige, proportionele handhaving van de wettelijke grenzen aan de achterdeur. 

De analyses van Roorda en Swart maken duidelijk dat het juridisch debat rondom de grenzen van demonstratierecht niet altijd zwart-wit is. Misschien dat we de conclusie kunnen trekken dat een democratie die ruimte biedt aan de vrijheid van meningsuiting, soms nou eenmaal geconfronteerd zal worden met uitingen die kwetsen of onze maatschappelijke grenzen oprekken. 

De maatschappelijke en juridische discussie rondom demonstraties, activisme en de grenzen van het protestrecht blijft volop in beweging. Berend Roorda en Noor Swart houden zich hier niet alleen wetenschappelijk mee bezig, maar delen hun expertise ook actief met politiek en bestuur. De afgelopen maanden verzorgden zij technische briefings over hun onderzoek voor onder meer de Tweede Kamer, de Eerste Kamer en de Raad van State. Voor de lezers die zich willen verdiepen in het demonstratierecht en actuele juridische ontwikkelingen, verwijzen wij graag naar www.demonstratierecht.nl , opgezet door onder andere Roorda en Swart. Daarnaast is ook hun onderzoeksrapport en veel meer te vinden op www.demonstratierecht.nu . 

 

 

(1)  https://nos.nl/artikel/2613010-politici-veroordelen-bekladding-nationaal-monument-op-de-dam

(2) ECLI:NL:XX:2014:801

(3) ECLI:NL:HR:2023:1742

(4) ECLI:NL:GHDHA:2024:344

(5) ECLI:NL:XX:2014:801 

 

Verenigingenweb
Cancel